JILL
Het belangrijkste is dat ik mijn vertrouwen weer terug krijg JILL

Opnemen aangifte van mensenhandel

CoMensha wordt regelmatig gebeld door hulpverleners en advocaten dat niet altijd alle slachtoffers van mensenhandel in staat gesteld worden om aangifte te doen. Wij hebben uitgezocht hoe dit nu precies zit. Kort gezegd komt het erop neer dat een opsporingsambtenaar het doen van aangifte nooit mag weigeren.
Mensenhandel wordt algemeen gezien als een ernstige schending van fundamentele mensenrechten. Het heeft altijd uitbuiting ten doel en betreft mensen die onder dwang arbeid of diensten moeten verrichten in de seksindustrie of in een reguliere economische sector, of er op uit worden gestuurd voor inkomsten in bedelarij of criminele activiteiten.

Opsporing en vervolging van mensenhandel hebben zowel nationaal als internationaal de hoogste prioriteit. Een belangrijke plek wordt daarbij ingenomen door de slachtoffers, die verschillende gedefinieerde rechten hebben (EU Richtlijnen 2011/36/EU en 2012/29/EU). Volgens de Aanwijzing Mensenhandel van het Openbaar Ministerie (Stscrt. 16816, 21 juli 2013) worden signalen van dit misdrijf in alle gevallen opgepakt. Mensenhandel kan ambtshalve worden opgespoord en vervolgd. Het doen van een aangifte is daarom niet eens nodig, want mensenhandel is geen klachtdelict.

Juridisch gezien is de aangifte, het melden van een strafbaar feit, een verzoek aan de Officier van Justitie om tot strafrechtelijke vervolging van de dader(s) over te gaan (een strafrechtelijk onderzoek te openen). Als een slachtoffer van mensenhandel besluit tot het doen van aangifte moet hij of zij zich wenden tot een bevoegde opsporingsambtenaar (Politie, Marechaussee of de opsporingsdienst van Inspectie SZW). Iedereen die kennis draagt van een strafbaar feit is bevoegd daar aangifte van te doen (art. 161 Wetboek van Strafvordering). In sommige gevallen is dat zelfs verplicht, zoals in het geval van 'menschenroof' en verkrachting (art. 160 eerste lid WvSv) en wederrechtelijke gevangenhouding (derde lid). Alle voorgaande voorbeelden kunnen op mensenhandel van toepassing zijn. Op de aangifte zijn vormvereisten van toepassing, zoals het voorlezen van wat op schrift is gesteld en de ondertekening (art. 162 WvSv). Het OM is verplicht tot vervolging en mag uitsluitend daarvan afzien bij gronden aan het algemeen belang ontleend (art. 167 WvSv).

Een slachtoffer van mensenhandel, of een familielid daarvan zoals de moeder, mag dus altijd aangifte doen van dit misdrijf. Een weigering van het opnemen van een aangifte van mensenhandel is geen optie. Blijft een opsporingsambtenaar hierin volharden, dan rest voor die slachtoffers, samen met hun advocaat of met ondersteuning van de hulpverlening, niets anders dan een klachtbrief aan één van de vier Gerechtshoven Amsterdam, Arnhem-Leeuwarden, Den Bosch en Den Haag (art. 12 WvSv):

'Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen, dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd.'

Overigens is het doen van valse aangifte natuurlijk strafbaar, en wel met een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de derde categorie (art. 188 Wetboek van Strafrecht)