menu Steun ons
Jill
Jill  Mijn verhaal Het belangrijkste is dat ik mijn vertrouwen weer terug krijg  
Steun de slachtoffers
Voorlichting maandag 18 jun 2018

Blog #6 – Het belang van zorgcoördinatie, deel 2 -  In gesprek met Rob Kelder - regio Friesland



Gemeenten spelen een belangrijke rol in de strijd tegen mensenhandel. Zij hebben een verantwoordelijkheid op het gebied van preventie, signalering, handhaving, hulpverlening. En bij het opwerpen van barrières voor mensenhandelaars. Het aantal gemeenten dat erkent dat in hun gemeente mensenhandel plaatsvindt en dat investeert in goede zorgcoördinatie voor slachtoffers van mensenhandel, is nog niet toereikend. CoMensha zet zich in voor een landelijk dekkend netwerk van zorgcoördinatoren.

De provincie Friesland vult de zorgcoördinatietaak al wel in. Goede reden om Rob Kelder, zorgcoördinator vanuit Fier in Leeuwarden, aan het woord te laten. Fier is het landelijk expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties.


Hoe ziet jouw functie als zorgcoördinator eruit?
“Mijn functie bij Fier is ongeveer fifty-fifty verdeeld in cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden werkzaamheden. Bij cliëntgebonden werk houd ik me bezig met buitenlandse slachtoffers waarbij een strafrechtelijk traject, een verblijfsrechtelijk traject en een zorgtraject aan de orde zijn. Dit coördineer je, je probeert te zorgen dat die drie elkaar niet bijten. Bij de Nederlandse meiden, slachtoffers van ‘loverboys’, is het voornaamste het aangiftetraject met ze doornemen, en eventueel afspraken maken met politie, advocaten etc.

Het niet-cliëntgebonden deel is netwerkontwikkeling. Landelijk, maar met name in Friesland. De contacten met politie bijvoorbeeld: we hebben iedere twee weken vaste overleggen. Ook overleggen we met het veiligheidshuis, met gemeenten, etc. We hebben het zogenaamde drieluik-overleg. Daar zit ik met de ketenregisseur mensenhandel van het veiligheidshuis en met een vaste persoon van het mensenhandelteam van politie. Ik vertegenwoordig in dit overleg de zorgketen. Alle signalen vanuit de zorg worden bij mij gemeld en die neem ik mee in het drieluik. We bespreken hier de signalen en kijken wie van ons daar wat mee gaat doen.

Daarnaast hebben we nog het regionale Advies- en Meldpunt Loverboys/ Jeugdprostitutie, daar zitten wat meer mensen om tafel. Deelnemers zijn politie, het Veiligheidshuis en wij, maar ook zitten daar de twee grote ROC’s, de GGD, Regiecentrum Veilig Thuis en de interventiewerker van de maatschappelijke opvang. Als een bepaalde casus eruit springt, kan het zo zijn dat we een maatwerkoverleg organiseren. De ketenregisseur neemt het voortouw hierin. Dan heb je de partijen die specifiek bij deze persoon betrokken zijn bij elkaar. Dat gebeurt in het Veiligheidshuis, zodat alles wat besproken wordt ook gedekt is door het convenant van het veiligheidshuis. Zij trekken dan het hele proces.

De ketenregisseur is zeer betrokken en actief. Ik denk dat ik hem soms wel drie á vier keer per week aan de telefoon heb. Dat geldt ook voor de vaste contactpersoon van het mensenhandelteam van politie. De lijntjes zijn kort, het werkt heel prettig. Dat moet natuurlijk ook een beetje ontstaan. Het convenant ligt er, maar ook tussen de personen moet er iets ontstaan.

  Ik heb geen typische werkdag! Gisteren was het hier bijvoorbeeld een gekkenhuis  


Toen ik hier drie jaar geleden kwam werken, was dit alles er al. Het maakt deel uit van het convenant Netwerk Mensenhandel Friesland. Dat bestaat volgens mij al een jaar of tien. Het idee is dat bij die tweewekelijkse overleggen steeds ongeveer dezelfde personen zitten. Iemand kan natuurlijk een keer ziek zijn, maar in principe zijn het vaste personen om de continuïteit te waarborgen.”

Hoe verloopt een typische werkdag voor jou?
“Ik heb geen typische werkdag! Gisteren had ik bijvoorbeeld mijn agenda leeg. Ik liep erg achter met uren bijhouden, en ik dacht, ‘dat ga ik eens even bijwerken’. Daar is dus niks van terecht gekomen, het was een gekkenhuis. Cliënten die langskwamen, mentoren die belden, brieven van de IND die vragen om spoedacties, dat soort dingen. Ik ben gisteren de hele dag van hot naar her gevlogen voor cliënten, en ik heb niet kunnen doen wat ik eigenlijk wilde doen.

Mijn doel is om zoveel mogelijk beschikbaar te zijn voor cliënten. Cliënten komen voornamelijk met vragen over de juridische procedure. Of je hebt Nederlandse meiden die misschien toch wel aangifte willen doen, maar die willen weten hoe dat dan in zijn werk gaat. Ik trek gewoon een stoel bij aan mijn (ietwat chaotische) bureau, dat zorgt voor een informelere, huiselijkere sfeer dan als je in een spreekruimte tegenover elkaar aan tafel zit.

Ik had laatst een meisje bij me dat twijfelde over het doen van aangifte. Zij was bang dat haar familie wat zou overkomen. Ze durfde zelfs niet naar een informatief gesprek met politie. Toen heb ik gezegd: ‘En wat als iemand van de politie nou naar hier komt om uit te leggen wat ze voor jou kunnen betekenen? We hoeven dan nog niet eens je naam te noemen’. Dat vond ze goed. Dus mijn vaste contactpersoon van team mensenhandel kwam langs, gewoon in burger. Hij trok ook een stoel bij, en zo zaten we daar heel ongedwongen in die ruimte. Dat stelde haar wel een beetje op haar gemak. Uiteindelijk heeft ze aangifte gedaan.

Hoeveel uur heb je voor deze functie?
“Ik werk in deze functie samen met Linda Pool. Samen hebben we zestig uur per week te besteden voor zorgcoördinatie. Ik werk hier 36 uur van en Linda 24. Globaal hebben we het werk verdeeld: in principe begeleid ik alle cliënten die bij Fier verblijven, en Linda alle ambulante cliënten, dus door heel Friesland. Het kan best eens zo zijn dat een cliënt om wat voor reden dan ook minder bij één van ons past, dan pakt de ander het op. We zitten tegenover elkaar, dus dat overlegt makkelijk.

Linda begeleidt in principe de B8-slachtoffers op de AZC’s. Het is niet 100% gescheiden, als Linda vrij is ga ik ook wel eens naar een cliënt op een AZC. Op het AZC is er vaak al zorg, mensen komen dan bij GZA, de huisarts op het AZC. Omdat wij veel op de AZC’s komen kennen de huisartsen ons ook goed, zeker in Friesland. Zij schrijven nog wel eens een verwijzing naar Fier. Het kan ook zijn dat wij iemand op het AZC al kennen en denken, ‘hee, hier is zorg nodig’. Dan verwijzen wij diegene door naar de huisarts, want die moet uiteindelijk bepalen welke zorg nodig is. Soms krijgen we ook mensen vanuit AZC’s in Groningen, die naar ons worden doorverwezen voor ambulante hulp.

Inmiddels bieden wij ook ambulante begeleiding en behandeling in de stad Groningen, dus dat scheelt voor deze mensen weer in reistijd. We hebben ruimte gehuurd in Groningen en behandelaars van ons zijn daar werkzaam. Ook in Rotterdam bieden we begeleiding en behandeling.”

Met wat voor partners werk je in je regio zoal samen?
“In principe werken we samen met alle zorgaanbieders in Friesland. Slachtoffers uit de hele provincie vallen immers onder onze zorgcoördinatie, niet alleen de mensen die bij ons zitten. Het COA is een belangrijke partner, VluchtelingenWerk, gemeenten, politie, de IND. Bij de IND hebben we vooral contact met de afdeling Gender in Zwolle. Zowel per mail als telefonisch hebben we met hen korte lijntjes. Zij denken altijd heel goed en actief met ons mee. De IND neemt natuurlijk ook best vaak beslissingen die wij niet zo leuk vinden. Ik vind het belangrijk om ervoor te zorgen dat je dat soort dingen niet persoonlijk maakt.

We hebben veel contacten met advocaten, voornamelijk uit het noorden, maar ook uit andere regio’s. Soms hebben cliënten al een advocaat, met wisselend succes. Denk aan de asieladvocaat die het B8-stuk er ook wel even bij doet. Terwijl daar toch echt een specialisatie voor nodig is. Soms probeer je wat bij te sturen. Het is misschien lullig om te zeggen, maar een zorgcoördinator heeft gewoon veel meer ervaring met dit soort zaken dan sommige advocaten. Het kan voorkomen dat wij een cliënt adviseren om andere advocaat te nemen. Het belang van het slachtoffer gaat immers voor dat van de advocaat.

Ook krijgen we signalen van scholen binnen over vermoedens van mensenhandel. Ook andere instellingen bellen regelmatig, vaak om anoniem een casus te bespreken. Dan probeer je mee te denken, en neem je de signalen bijvoorbeeld mee naar het drieluikoverleg. Als het anoniem is, is het soms wel lastig om te bespreken. Ook met Veilig Thuis werken we samen binnen het regionale Advies- en Meldpunt Loverboys/Jeugdprostitutie. Zij maken ook deel uit van het Convenant Netwerk Mensenhandel Friesland.

Verder is de politie hier in Leeuwarden natuurlijk onze buurman en dat werkt prettig. Cliënten hebben soms wisselende ervaringen met politie, maar wij proberen dat contact wel te normaliseren. Zo hebben we onze jaarlijkse motortocht, waarbij honderd politiemensen in hun vrije tijd met hun motoren komen en bij wie de meiden dan achterop meerijden. Ik rijd zelf ook vaak mee. We hebben hier een Cruijff-court op het terrein, en als het wat beter weer is organiseren we ook nog wel eens voetbalwedstrijden tussen de politie en de meiden.”

  Alle Friese gemeenten dragen bij aan de financiering van de zorgcoördinatie. Dit gebeurt al jaren, we zijn hier heel blij mee  


Hoe is deze functie in jouw regio tot stand gekomen? Kostte het veel moeite om de functie financieel geborgd te krijgen?
“Alle Friese gemeenten dragen bij aan de financiering van de zorgcoördinatie. Dit gebeurt al jaren, we zijn hier heel blij mee. Ik weet dat de financieringskwestie in andere delen van het land soms veel discussie oproept. Leeuwarden is als centrumgemeente ons aanspreekpunt. Als er iets met gemeenten moet gebeuren, pakt de ketenregisseur het meestal op. Daarom is het drieluik-overleg zo handig. Als het goed is, meldt een gemeente ook bij de ketenregisseur, die de signalen of de casus vervolgens weer inbrengt in dat overleg. Wij als zorgcoördinatoren vertegenwoordigen de zorg, het veiligheidshuis vertegenwoordigt het bestuursrecht, en de politie de strafrechtketen. Zo breng je de drie ketens bij elkaar.”

Hoe wordt de functie door ketenpartners in de regio ervaren?
“Politie en het Veiligheidshuis zijn heel positief. Ik denk dat ook de aandachtsfunctionarissen mensenhandel op de AZC’s het erg prettig vinden dat ze een beroep op ons kunnen doen. Ze moeten al aan zoveel dingen denken. Naast deze extra functie van aandachtsfunctionaris loopt hun gewone werk ook door. We hebben nauw contact met de meeste aandachtsfunctionarissen. Ik denk dat wij, van de huidige zorgcoördinatoren in Nederland, het meeste doen op de AZC’s. Het levert heel veel signalen op. Anderen hebben er vaak geen tijd voor, omdat ze minder uren hebben voor de functie.”

Wat kom je tegen aan ‘trends’ en knelpunten in deze regio?
“Ik zou het niet specifiek op deze regio willen gooien, maar waar we in het algemeen met cliënten tegenaan lopen, is bijvoorbeeld dat het aangifteproces echt wel heel belastend is. De buitenlandse slachtoffers hebben natuurlijk eigenlijk geen keus, die moeten aangifte doen om verblijfsrecht te krijgen. Van Nederlandse meiden snap ik wel dat ze er regelmatig voor kiezen om geen aangifte te doen. Het is echt een zwaar traject waarin te weinig rekening wordt gehouden met de slachtoffers. Ze worden natuurlijk uitgebreid bevraagd over wat er gebeurd is. Als een cliënt op tijd bij mij binnenkomt, zorg ik voor afspraken met de juiste politieafdeling. Maar het gebeurt ook dat cliënten er zelf al mee bezig zijn geweest. Dan hebben ze zelf gebeld voor een afspraak, en dan lukt het soms niet meteen om bij de juiste afdeling terecht te komen. De bejegening kan soms wel eens beter. Het verschilt ook erg per politiemedewerker, de één is gevoeliger dan de ander. Ik vind dat het hele aangifteproces meer slachtoffergericht zou kunnen zijn.

  
Het lijkt alsof buitenlandse slachtoffers mensenhandel continu moeten strijden voor hun geloofwaardigheid, met een groot risico op hertraumatisering. Dat vind ik echt pijnlijk  


De situatie van buitenlandse slachtoffers is complex. Het feit dat, wanneer er geen dader in beeld is, de IND min of meer concludeert dat er geen sprake is van slachtofferschap, is mijns inziens echt te kort door de bocht. Heel veel daders worden immers niet gepakt. Dat stukje werkt door in je hele verdere procedure. Ook in het asieltraject wordt dan wel gezegd: je hebt dit verteld, maar er is geen dader gepakt. Het lijkt dan wel alsof buitenlandse slachtoffers mensenhandel continu moeten strijden voor hun geloofwaardigheid, met een groot risico op hertraumatisering. Dat vind ik echt pijnlijk.

Natuurlijk moet de IND kritisch zijn, maar het lijkt soms of de andere kant van het verhaal ondersneeuwt. Je moet nu eenmaal met bewijzen komen, oké, maar wat als die er niet zijn? Je hoort natuurlijk vaak, wat de politie dan het standaardverhaal noemt, dat mensen naar Nederland zijn gebracht, zijn rondgereden, in een flat zijn opgesloten voor een aantal weken, zijn misbruikt, en toen was de deur een keer open en zijn ze weggerend. Pas veel verderop hebben ze iemand aangesproken die ook nog dezelfde taal sprak.

Natuurlijk is dat niet altijd volledig waar, maar dat betekent niet per se dat er geen mensenhandel heeft plaatsgevonden. Er kunnen allerlei verschillende redenen zijn waarom mensen dit zeggen. Het is heel lastig, maar ik vind dat slachtoffers toch wat vaker het voordeel van de twijfel mogen krijgen. Op de politieacademie, waar we trainingen geven in de opleiding tot gecertificeerd mensenhandelrechercheur, houd ik hier vaak een betoog over. Ik probeer het dan een beetje in hun taal te beschrijven, maar ook onze kant en de kant van de cliënten te laten zien. Een deel van de groep is vaak vrij negatief ten opzichte van de hulpverlening en de slachtoffers. Ze denken dat het mensen alleen om een verblijfsvergunning gaat. Maar toch zeker minstens de helft is juist heel begaan met de slachtoffers en denkt ook na over dit soort dingen.

Ik vertel ook altijd iets over voodoo, omdat dit voor veel West-Afrikaanse slachtoffers een rol speelt. Die eerste groep vindt dat allemaal onzin. De andere groep wil er ook echt meer over weten. Voor ons als witte mensen is het natuurlijk heel lastig om voodoo als drukmiddel te zien. Terwijl het voor veel slachtoffers wel een echte werkelijkheid is, net zoals wij hier nu aan tafel zitten.”

Welke sectoren van uitbuiting kom je voornamelijk tegen?
“We zien wel eens andere vormen van mensenhandel, maar bij ons is het natuurlijk primair gericht op seksuele uitbuiting of zeden. Dat is ook onze expertise. Op het moment dat ik arbeidsuitbuiting tegenkom, bel ik even met FairWork om te overleggen hoe we het gaan aanpakken. Onder onze cliënten zitten altijd wel een paar slachtoffers van arbeidsuitbuiting, maar het merendeel is toch slachtoffer van seksuele uitbuiting.

Wat ik regelmatig bij Nederlandse meisjes zie, is dat ze slachtoffer zijn van een loverboy, en dan vaak ook andere dingen hebben moeten doen, zoals winkeldiefstal of drugs vervoeren. Dat wordt dan ook wel eens gebruikt als drukmiddel: kijk, je hebt zelf ook wat strafbaars gedaan.”

Hoe draagt de functie van zorgcoördinator bij aan bewustwording en signalering in de regio?
“Linda en ik geven voorlichting bij instanties zoals het COA en VluchtelingenWerk. Ook geef ik drie á vier keer per jaar les op de politieacademie, vaak samen met CoMensha. In januari zat ik op de Hanze Hogeschool bij een groep studenten. We geven ook wel voorlichting aan wijkteams. Vooral de ambulante tak binnen Fier heeft veel contact met wijkteams. Wij vanuit de zorgcoördinatie wat minder, maar ze weten ons wel te vinden als het nodig is.

Sinds dit jaar is er een speciaal wijkteam in de stad voor statushouders. Toen ik daarvan hoorde heb ik meteen contact gelegd, even kennis maken. Zij zullen dingen gaan zien die voor ons interessant zijn. Omdat wij zestig uren per week hebben, bestaat ook de ruimte om die inbedding te onderhouden. Het is belangrijk om de contacten te onderhouden, om regelmatig even je gezicht te laten zien. Hulpverleners moeten, net als COA-medewerkers, op zoveel dingen letten, soms merken we dat ze daardoor signalen mensenhandel over het hoofd zien, omdat ze zo gefocust zijn op de hulpverlening.”

  Kijk verder dan de grenzen van je gemeente. Zo kun je zowel in de aanpak van mensenhandel iets betekenen als in de hulp aan en zorg voor slachtoffers  


Wat zijn je aanbevelingen/tips voor regio’s waar nog geen zorgcoördinatie is?
“Het is denk ik heel belangrijk om lokale partijen niet te passeren. Samen optrekken, zou ik zeggen. De expertise is elders in het land al opgebouwd natuurlijk, en als je dat combineert met kennis van de regio, dan heb je volgens mij een sterk startpunt!

Dan moet je vervolgens financiering zien te krijgen. Je maakt een analyse van wat er in de regio speelt of zou kunnen spelen, dat verschilt misschien ook wel per regio. Sommige mensen denken namelijk echt dat mensenhandel in hun regio niet voorkomt. Ze redeneren: We hebben geen vergunde prostitutiesector, dus er is geen seksuele uitbuiting. Terwijl: je hoeft maar te zoeken op een bepaalde plaats op Google, en je vindt een hele lijst van wat er allemaal wordt aangeboden. Het is overal. In de vergunde sector heb je natuurlijk al allerlei misstanden, maar daar is nog enige vorm van toezicht aanwezig. Maar met name alles wat via internet gaat, daar heb je zo weinig zicht op. Kortom: het is belangrijk om de functie breed op te zetten. Pak de AZC’s erbij, kijk verder dan de grenzen van je gemeente. Zo kun je zowel in de aanpak van mensenhandel iets betekenen als in de hulp aan en zorg voor slachtoffers.”


CoMensha en zorgcoördinatie

CoMensha zet zich onder andere in om een landelijk dekkend systeem van zorgcoördinatie van de grond te krijgen, zodat elk slachtoffer van mensenhandel adequate hulpverlening krijgt. De commissie Lenferink onderschrijft dit belang in haar advies (voorjaar 2015).

Door onze unieke, verbindende positie in de keten zijn we in staat om knelpunten, tendensen en succesfactoren te signaleren in de uitvoering van het mensenhandelbeleid en de agendering hiervan.

We zijn organisator en voorzitter van het zorgcoördinatorenoverleg, waar we de zorgcoördinatoren een platform bieden om ideeën, knelpunten, trends, etc. uit te wisselen.

Omdat we tevens het Strategisch Overleg Mensenhandel (SOM) en het Platform voor de Regionale Meldpunten loverboys/jeugdprostitutie voorzitten én lid zijn van de Taskforce Mensenhandel, hebben we de mogelijkheid om knelpunten uit de praktijk op landelijk niveau op de agenda te zetten.



Juni 2018
CoMensha | Mensenhandel in beeld
Erin van de Weijer, consulent aanpak mensenhandel